Opvoeding, ‘hulpverleners’ en Simon Carmiggelt

Soms lees je wel eens wat en dan verbaas je je over het feit dat wat jij nu ‘vindt’, dat dit blijkbaar al heel lang ‘gevonden’ wordt. Anno 2018 stoor ik mij bijvoorbeeld wel eens aan de verhalen die ik als mediator opvang over ervaringen van cliënten bij ‘hulpverleners’. En ook tijdens de gesprekken met collegae mediators of hulpverleners heb ik wel eens het gevoel dat ik mij als een onnozele vreemdeling aan de kant kan gaan staan vergapen over de wijsheid van hun uitspraken. Dan gaat het over het onderwerp ‘kinderen’ (van een ander). Zelf ben ik vader van 2 (gelukkig nu volwassen) kinderen. Al tijdens de zwangerschap spraken mijn vrouw en ik af dat we het waarschijnlijk niet goed zouden gaan doen. Tenslotte zijn we allemaal amateurs, nietwaar? En hoe doe je het goed?

In de jaren 60/70 werden de kinderen opgevoed met het opvoedboek van Dr. Spock in huis.  Hoe beter opgevoed uit het boekje, hoe klieriger de kinderen in mijn ogen werden; verwende koters, die continu de aandacht op wisten te eisen (en dat ook kregen van de pedagogisch onderlegde ouders), wat enig normaal contact tussen ‘de grote mensen’ volkomen verruïneerde. Het kind stond tenslotte centraal.

Ook in mijn eigen omgeving had ik ‘gelukkig’ altijd mensen om mij heen die mij vanuit hun specialisme (zij hadden namelijk zelf al eerder kinderen opgevoed, hadden Spock gelezen – en hun manier was veruit het beste!) precies konden vertellen hoe wij onze kinderen op moesten voeden.

Vreemd genoeg vind ik dat ik met mijn eigen knullige opvoeding twee fantastische kinderen heb grootgebracht. En… om eerlijk te zijn… ik zie de kinderen van die ‘specialisten’ nogal eens flink ontsporen… Veelal ronduit ettertjes!

Dan wordt het raar…: Als ik niet weet hoe ik mijn eigen kinderen nou het beste kan opvoeden, en als die kids (mogelijk onder meer daardoor) later toch geweldig zijn geworden… Hoe kan ik dan later een ander kunnen vertellen hoe zij hun kinderen op moeten voeden?? Ik weet het niet. Ik denk dat ik ook dat gewoon niet kan, niet moet of zelfs niet ‘mag’ vertellen.

Kijk, natuurlijk…, als er duidelijk sprake is van mishandeling of misbruik…, dan moet je ingrijpen. Of je nu hulpverlener bent of de buurman van het mishandelde kind. Maar wel is grote voorzichtigheid geboden. En die bespeur ik niet altijd. Dat heeft volgens mij te maken met het bekrompen ‘inzicht’ en de zelfoverschatting van veel betweters (wederom, of dat nu hulpverleners zijn of de buren).

Oké… ook met mijn opvoeding ging het wel eens mis: Op een dag werd ik gebeld door de politie. Mijn 13-jarige zoon zat in de cel, want hij had voor E1,- (!!!) een flesje Yakult uit de supermarkt willen stelen. Hij werd gezien, gepakt en met een politieauto opgehaald. Jazeker, ik lieg niet. Ook vervolgens (echt!!) de cel in. En vader… moest naar het Bureau. Zoon mocht gelukkig snel weer gaan. Maar niet zonder een afspraak met Bureau HALT (HetALTernatief – alternatieve straffen voor jongeren). Niet alleen moest zoon naar HALT voor een goed gesprek, nee; ook de ouders.

Ik werd verwelkomd door een jonge- en keurige man. Het werd een ernstig gesprek. Of ik de ernst van het delict wel begreep…. “Eeh…, nou… eigenlijk niet echt…” Dat viel al niet in goede aarde. De jongeman boog zich iets voorover en keek mij nog eens indringend aan: “hoe voedt u uw kinderen op…?” Daar moest ik even over nadenken. De neiging was groot om iets te antwoorden als: “Nou, ik train ze om flesjes Yakult uit de supermarkt te stelen. Hoezo? Is daar iets mis mee?”, of “Nou, ik zeg altijd: Luister jongen: Als je iets steelt, steel dan goed! En geen dingetjes van 1 Euro, stommerd!”. Ik deed het maar niet.

Wel vroeg ik aan hem waarom hij mij deze vraag stelde. In die zin, dat, als ik antwoord gaf… kon hij daar wat mee dan? Ofwel…:”Wie bent u eigenlijk?” Zat ik hier aan tafel met een kinderpsycholoog? Een pedagoog? Een psychotherapeut?…” Het werd geen prettig gesprek. Al zeker niet toen ik zei dat we in onze jeugd toch allemaal wel eens wat hadden gestolen. Nou… hij niet. Oké.

Zoonlief mocht een dag vrijwilligerswerk doen als alternatieve straf (bij de HEMA??? Yep!).

Overigens (ik kan het niet laten…) werden hij en z’n vriendje 2 maanden later door een groep iets oudere jongens van de fiets getrokken en tegen de grond geslagen. Hun mobiele telefoons werden gestolen en de fiets werd in het water gegooid. Mijn zoon had gelukkig het kenteken van een brommer gezien en onthouden. Aangifte gedaan en na twee maanden maar eens gebeld met de politie. Helaas, zij hadden wegens tijdgebrek nog geen actie kunnen ondernemen…. Veel te druk met grote criminele Yakult-flesjes-jatters! Maar dat terzijde.

Some things never change… Dan schiet je opeens meer dan 40 jaar terug. Lezend in de ‘kronkels’ van toch zeer milde Simon Carmiggelt (uit 1975) kom je dan dit herkenbare stuk tegen:

 

“Dat mag je niet zeggen”

(Simon Carmiggelt)

Bij het lezen van kranten en het kijken naar tv-uitzendingen komen wel eens gevoelens in mij op waarbij ik denk: tja, maar dat kan ik nooit zeggen, anders roepen ze allemaal dat ik rechts ben en anti-progressief.  Dan zwijg ik. Maar al die springstof hoopt zich toch in mij op. Daarom schrijf ik vandaag een stukje dat u maar niet verder vertellen moet. Beschouw het als vertrouwelijk. We kennen elkaar al zo lang, nietwaar?

Uit het assortiment mijner frustraties kies ik een voorbeeld. In Den Haag loopt een meisje van veertien weg uit het huis van haar ouders, omdat ze slaande ruzie heeft. De alternatieve Sosjale Joenit brengt het kind ergens onder. Maar pa en moe mogen het adres niet weten, want dat vindt de Sosjale Joenit beter. De ouders beginnen een kort geding. Tot zover de naakte feiten.

In de details begeef ik me niet, omdat kranten daarover slechts wat rafelige informaties plegen te verschaffen die geen scherp beeld kunnen oproepen. Ik probeer me alleen, bij het lezen van zo’n bericht, het volgende voor te stellen.

Ik ben de vader van een veertienjarige dochter. Ik heb hooglopende twist met haar. Ze neemt de benen. Een clubje mensen die waarschijnlijk net zo denken als ze spellen, laat haar onderduiken. En ik mag niet weten waar ze is. Wat zou ik dan doen?

Ofschoon ik een oude man ben, die gelukkig niets meer met zoiets bovenmenselijks als opvoeding te maken heeft, functioneert mijn geheugen nog ruim voldoende om te kunnen zeggen: “Ik zou naar het bureau van de alternatieve club die mijn dochter heeft verstopt toegaan en alle daar aanwezige functionarissen de hersens inslaan.”

Begrijpt u nu waarom mijn stukje vertrouwelijk is? Want zulke dingen kun je niet zeggen. Als ik het toch doe roept iedereen: “Jij bent een emotionele gek.”

Dat is waar. Maar alle mensen wier gevoel hevig is betrokken bij het wel en wee van andere mensen zijn, als dat gevoel geraakt wordt, emotionele gekken. Met haat. Met agressie. Met moordlust. Zie: de wereldliteratuur.

“Maar je hebt toch ruzie met je dochter?” werpt u mij tegen.

Ja, dat heb ik – en hoe! De stukken vliegen ervan af. Maar een argument vind ik het niet, want ruzie met een kind is ook een variant van liefde. Je kunt namelijk nooit vlammende ruzie hebben met iemand die je in wezen onverschillig laat. En ik waag het te stellen dat de mensen van de alternatieve club, die mijn dochter van veertien laten onderduiken, als het erop aankomt onverschilliger staan tegenover haar dan ik.

Hoe stom ik haar ook – in hun competente ogen – opvoed.

Want een ding staat vast: we doen het allemaal op onze eigen, onvolmaakte manier. We rotzooien maar wat aan, overeenkomstig het gevoel dat we in huis hebben. De buren weten precies hoe verkeerd wij het doen. Maar daar staat tegenover dat wij precies weten hoe verkeerd de buren het doen.

De overtuiging dat alle ouders het per definitie verkeerd doen en dat de wet daaruit de onverbiddelijke conclusie trekken moet, schijnt in progressieve kringen groeiende te zijn. Maar dat vind ik een soort vooruitgang die ruikt naar de lamp van de studeerkamer en geen rekening houdt met een aantal essentiële, onveranderlijke trekken van de onmogelijke schepping mens. Niet alleen de gevoelens van kinderen zijn wezenlijk, maar ook die van ouders. En ouders zijn nu eenmaal niet meer dan ze zijn, net als kinderen. Wie een regeling maakt waarin het gevoel van ouders geen rol meer spelen mag, verminkt ze. Hoe slecht ze het ook doen in de ogen van…

Ja, van wie eigenlijk? Maar ik geef toe dat je zulke dingen niet mag denken. En als je ze toch denkt moet je ze vooral niet zeggen. Ik reken dus op uw discretie. Er is al ellende genoeg op de wereld.

 

Simon Carmiggelt “Slenteren” (Bundel ‘Kronkels’), 1975, De Arbeiderspers, Amsterdam